Hier vindt U informatie over bepaalde vissoorten    


 

Aal (paling)

 

Slijmerige , ronde vis met vergroeide rug-, staart- en aarsvin. Onderkaak langer dan bovenkaak. Borstvinnen klein en afgerond, buikvinnen afwezig. Rugvin begint ver achter de borstvinnen. Schubben zeer klein en ingebed in de huid. 

Biologie

 

Jonge aal (glasaal) leeft langs de Atlantische kusten. Bij 8 cm verandert hij in rode aal. Veel rode aal zwemt de rivieren op, maar een deel blijft in zee. Na enkele jaren wordt de rode aal blanke aal en trekt dan naar de Sargassozee om te paaien.

 

Kabeljauw

Kenmerken

 

De kabeljauw is herkenbaar aan zijn drie rugvinnen en 2 buikvinnen. Kan de richting van geluid bepalen. Ook is de kabeljauw de trotse bezitter van een kindraad. De rug en de flanken zijn bezet met vlekken. De beide aarsvinnen zitten recht boven de tweede en de derde rugvin. 

 

Verspreiding

 

Zuidkust van spitsbergen, noorden van Atlantische oceaan, Noorse kust, Poolzee, Noordzee, Oostzee, westkant van Ierland, Hebriden en Golf van Biskaje.

 

Paaitijd

 

De kabeljauw paait in de periode van januari tot maart. 

 

Makreel

Kenmerken

 

Makreel heeft een iriserend blauwgroene rug met gebogen, donkere strepen, zilveren flanken en buik. de twee rugvinnen staan ver uit elkaar. Achter de tweede rugvin en de aarsvin bevinden zich kleine stabilisatievinnen.

 

Biologie

 

makrelen zwemmen in voorjaar en zomer in enorme scholen in de bovenlaag van open zee, ze voeden zich met vrijzwemmende kreeftachtigen en vis. 's winters trekken ze naar de diepte en blijven bij de bodem in een soort winterslaap, zonder te eten.

 

komt voor in de noordelijke Atlantische Oceaan van IJsland tot de Middellandse Zee, ook in de Oostzee en Noordzee.

 

Schar

 

Kenmerken

 

Kleine bek. Zijlijn maakt duidelijk bocht over borstvin. Schubben op oogzijde iets ruw.

 

Biologie

 

Leeft op zandbanken en zandige kusten, vooral op diepten van 20-40 m. voedt zich meet wormen, kreeftachtigen, slangsterren, kleine zee-egels, schelpdieren en ook wel grondels en zandspiering.

 

Verspreiding

 

Zeer algemeen in kustwateren langs de golf van Biskaje en verder noordwaarts.

 

Paait van januari-augustus, het vroegst bij Bretangne en Zuid Engeland, in april-juni in de Noordzee, juni-juli in de Barentszzee en april-augustus in de Oostzee. paait in het gehele verspreidingsgebied op 20-40 m. diepte, maar in de zuidelijke Oostzee dieper.

 

Schol

 

Kenmerken

 

Een opvallend gekleurde platvis: van boven bruin met heldere rode en oranje vlekken. wit van onderen. kleine bek aan het uiteinde, rechts van de ogen. Huid glad, maar met 4-7 benige knobbeltjes van de ogen tot het begin van de zijlijn.

 

Biologie

 

leeft niet ver van de kust in 30-120 m. diep water, de jongste vis het dichts bij de kust. Vooral op zand, maar ook op modder en grind. Zoekt meestal overdag voedsel, 's zomers intensiever dan 's winters; eet kreeftachtigen, weekdieren en wormen.

 

Verspreiding

 

In de Oostzee, lang de Noorse kust, rond IJsland, door de Noordzee en lang de westelijke kust van Groot-BrittanniŽ tot in het westelijke deel van de Middellandse Zee.  

 

Paaitijd

 

Paait 's winters. De belangrijkste paaigronden liggen voor de Belgische-Nederlandse lust, in de Duitse bocht en in delen van de centrale Noordzee.

 

 

Tongen

 

Kenmerken

 

Een langgerekte platvis, herkenbaar aan de afgerond kop en de rugvin die tot de voorkant van de kop doorloopt. Bek rechts van de ogen. Rugvin en aarsvin zitten aan de staartvin vast. 'Rug' donkerbruin met donkere vlekken;zwarte vlek op bosrtvin.

 

Biologie

 

Algemeen in kustwateren met een diepte van een paar meter tot 120 m; 's zomers hoger, 's winters dieper. Op zand en zanderige modder; bij helder licht deels ingegraven, actief bij bewolkte weer en 's nachts. Eet kreeftachtigen, tweekleppigen, wormen.

 

Verspreiding

 

Zuidelijke kust ScandinaviŽ, Noordzee, westkust Groot-BrittanniŽ tot in de Middellandse Zee (ten noorden van Schotland zeldzaam). Waardevolle consumptievis, wordt vooral 's nachts gevangen.

 

Paaitijd

 

Paait in de zuidelijke Noordzee (en op enkele plaatsen in het Skagerrak en Kattegat) van april-juni, voor de Ierse en Zuid-Engelse kust van mei-juni, en in de Middellandse Zee al in februari. paait in ondiep water op 20-50 m diepte bij een tempretuut van 6-12 graden.

 

 

Tongschar

 

Kop en bek klein. geen stekel bij aarsvin. lichaam ovaal. huid gemarmerd, voelt zeer glad aan. zijlijn vrijwel recht, met boven borstvin slechts een lichte boog.

 

 

Noordzee en Atlantische Oceaan.

Tongschar paait van april-augustus op 15-150 m. diepte door het gehele verspreidingsgebied.

 

 

Heeft net als kabeljauw drie rugvinnen, twee aarsvinnen en buikvinnen+ bij keel, maar de baarddraad aan de kin is erg klein. Snuit lang en puntig. Rug donkerblauw tot groen, flanken en buik zilver, donkere vlek aan basis borstvin.

Zwemt voornamelijk in water 30 - 100 m diep. Voedt zich vlak boven de zeebodem met kreeftachtigen en vis, maar ook met wormen en weekdieren. paait door het hele verspreidingsgebied, de jongen schuilen vaak onder de paraplu van kwallen.

Zeer algemene vis in de Noordzee, zwemt ook voor de westkust van Noorwegen tot IJsland rond de Britse eilanden en zuidelijker tot aan de Middellandse Zee. 

Het paaien gebeurt in het begin van de lente in het zuidelijk deel van het verspreidinggebied
Voor het paaien hebben de blauwe wijtingen water met een zoutgehalte van 35% en een temperatuur van 8 - 9ļ C. nodig.
De larven en de pootvissen leven in de bovenste lagen van ongeveer 1000 meter diep water.

 

Langgerekte vis met twee rugvinnen, de eerste stekelig, de tweede met zachte stralen. borstvinnen voor op buik. Aarsvin met drie stekels. kieuwdeksel met tanden op onderrand. Blauwe of grijze rug, zilverkleurige flanken, witte of gelige buik.

's Zomers zeer algemeen in kustwateren en estuaria rond rotsen en boven zand en modder. Grote exemplaren leven solitair, jonge vissen vormen scholen. Vraatzuchtige predator van andere vis, inktvis en kreeftachtigen.

Rond zuidkusten van Britse eilanden, Noordzee verder zuidelijk langs Atlantische kust en in de gehele Middellandse zee.

Paait bij de Britse eilanden in de lente.

 

 

Zeeduivel

 

Een opvallende vis met een zeer brede kop, wijdopen bek en grote gebogen tanden. Huid los, zonder schubben en met losse flappen, vooral langs de randen. Enkele stekels op de kop; de voorste heeft een vlezig flapje aan de top (het lokaas) 

meestal op een diepte van 20-550 m. of dieper, vooral in diep water. ligt deels begraven in zand of modder op de zeebodem. laat het lokaas vrij en hengelt naar kleinere vis. Vangt allerlei soorten vis, maar ook krab, kreeft en inktvis.

Van noordelijk deel Atlantische oceaan bij Noorwegen en IJsland tot de Middellandse Zee en Afrikaanse kust, ook in de Noordzee.

Paait tussen april-juni ten noorden, westen en zuiden van de Britse eilanden op dieptes van 400 m.

Laatst gewijzigd 13-05-2003